De Doop, ook voor kinderen?
Twee verbonden

Bij welk verbond behoort de gemeente van Jezus Christus?

1.
Verbond met Abraham
en de volken Gen 12.3b:
2.
Verbond met Abraham
voor Israël Gen 17.6:


Calvinistische visie
In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

Gen 17.1-5
(Verbond i.z. geloof, vóór zijn besnijdenis) Toen Abram ne-genennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aange-zicht en wees oprecht.
2 Ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u, en u uitermate talrijk maken.
3 Toen wierp Abram zich met het gezicht ter aarde en God sprak met hem:
4 Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken.
5 U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn,

want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.
Want van Jezus Christus zegt God:
Jesaja 49.5-7:
5 En nu zegt de HEERE, Die Zich Mij vanaf de moeder schoot tot Knecht heeft geformeerd om Jakob tot Hem terug te brengen - maar Israël zal zich niet laten verzamelen. Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE, en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6 Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7 Zo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft, tegen de Knecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, vorsten-zij zullen zich voor U neerbuigen, omwille van de HEERE, Die getrouw is, de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
Dus door Hem is Abraham vader van vele volkeren.
Niet als lijfelijke maar als geestelijke vader, ziende op het gelóóf van Abraham, vóór zijn besnijdenis.
Genesis 15.6
En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.
Galaten 3.6-9
6 Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend.
7 Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
8 En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde eertijds aan Abraham het Evangelie: In u zullen al de volken gezegend worden.
9 Daarom worden zij die uit het gelóóf zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham.
Romeinen 4.7-11
7 Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven, en van wie de zonden bedekt zijn,
8 welzalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.
9 Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen? Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid.
10 Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als ó n b e s n e d e n e !
11 En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het gelóóf dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn, opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden.

Hier staat het geloof op de voorgrond en niet het besneden zijn.
De besnijdenis was nog niet ingesteld, maar kwam later. Dus dient ook het geloof op de voorgrond te staan en niet de doop.
Afgezien of het juist is dat de kinderdoop in de plaats van de besnijdenis gekomen is.
Vandaar dat de Geest van God het volgende getuigt: Ro-meinen 4.13-17
13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.
14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan.
15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.
16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen,
17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Er is meer
Het verbond gesloten met Israël op de Sinaï heeft God tenietgedaan en daarvoor een nieuw verbond in de plaats gesteld. Dit nieuwe verbond — zie Jeremia 31.31-34 en Hebreeën 8.6-10 — gaat in, in 'de dagen die komen zullen'. Dat zijn de dagen vermeld in Hebreeën 1.1-2
Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon,
2 Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.
Waarom een nieuw verbond?
Christus is een eeuwige en volmaakte Hogepriester en middelaar van een beter verbond Hebreeën 8.6
Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd
gewor-den, daar het eerste verbond niet onberispelijk was Hebreeën 8.7-13
Immers, als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats zijn gezocht
8 Want hen berispend zegt Hij tegen hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,
9 niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere.
10 Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
11 En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.
12 Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.
13 Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.
Onberispelijk niet zozeer als verbond, als wel dat dit door Israël niet gehouden is op de wijze waarop God het bedoelde. Israël trachtte het in eigen kracht te volbrengen, Exodus 19.8
Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.
. Opmerkelijk is dat de Heere op de woorden van het volk niet reageert. Het volk zou Zijn bepalingen alleen in Zijn kracht kunnen volbrengen en niet in eigen kracht zoals uit het antwoord van het volk via Mozes aan Hem is op te maken. Dit blijkt duidelijk uit Israëls afwijkingen, zoals o.m. is be-schreven in Jeremia 7.31; 9.25, 26; 16.14, 15
7.31
En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.
9.25, 26: Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik elke besnedene en die de voorhuid heeft, zal straffen, namelijk Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen die kaalgeschoren zijn aan hun slapen, die in de woestijn wonen. Want alle heidenvolken zijn onbesneden, maar heel het huis van Israël is onbesneden van hart.
16.14, 15:
Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft, maar: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
en dàn zal God hun harten besnijden, zodat ze God van harte gaan liefhebben en dienen.
Want zegt Hij: Jeremia 31.31-34
Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,
32 niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden-Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.
33 Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
34 Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.
Dit nieuwe verbond voor Israël dat ingaat bij hun be-kering, wanneer de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan, geldt nú reeds voor de hei-denen, vanaf de tijd dat het geheimenis, die de gemeente betreft, door God aan Paulus is bekend gemaakt. De gemeente is ontstaan vlak ná de Pinksterdag, bestaat dus niet vanaf Adam af, daar het geheim — dat een gemeente zou worden gesticht uit de heidenen, welke door het bloed van Jezus Christus zalig zal worden — tijdens heel de oud-testamentische periode nog niet door God onthuld was.
Wat is nu de conclusie? Twee-erlei:
1. dat er slechts één verbond over blijft, nl. het verbond dat het geloof in Jezus tot inhoud heeft. Dat als er over een verbond gesproken wordt, men het alleen kan hebben over het verbond van God met de in-dividuele gelovige. Een ver-bond dat ingaat op het moment van diens bekering.
2. dat alleen zij gedoopt mo-gen worden, die deel hebben aan dit verbond, dus alleen zij die de Heilige Geest als inwoner bezitten.
Allen die de nieuwe geboorte missen, hebben geen deel aan het verbond, en mogen niet gedoopt worden.

a.
Herniewde toezegging van nageslacht vóórdat Abra-ham werd besneden;
b.
ná Verbond voor de volken
het verbond met Israël met als teken de besnijdenis.

a.
Genesis 15.1-6:
Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.
2 Toen zei Abram: Heere HEERE, wat zult U mij geven, aangezien ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis deze Eliëzer uit Damascus zal zijn?
3 Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven, en zie, iemand die in mijn huis geboren is, zal mijn erfgenaam zijn.
4 Maar zie, het woord van de HEERE tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar die uit uw lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn.
5 Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo zal uw nageslacht zijn.
6 En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

b.
Gen 17.6-14:
6 Ik zal ú uitermate vrucht-baar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voort-komen.
7 Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.
8 Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.
9 Verder zei God tegen Abraham: En wat u betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door.
10 Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.
11 U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en dat zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.
12 Elk kind bij u van acht dagen oud, al wie mannelijk is, moet besneden worden, al uw generaties door: degene die in uw huis geboren is én degene die van enige vreemdeling voor geld gekocht is, die niet tot uw nageslacht behoort.
13 Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.
14 Maar hij die mannelijk en onbesneden is, van wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden; hij heeft Mijn verbond verbroken.
Dus ziet dit op hen die:
a.
het letterlijk of vleselijk nageslacht van Abraham vormen. Alleen zij worden besneden.
b.
het land van Israël zullen bewonen.
c.
als kleine inderen van Abrahams' vleselijk nage-slacht, niet geloofden.






























































Zij dienen kolom 1, Gen. 12.3b en 17.1-5, op zich toe te passen, daar zij bekeerden uit de volken zijn. Daar wordt niet over de besnijdenis, maar over het geloof in het werk van Jezus gesproken, met Wie zij geestelijk verbonden zijn.

Helaas betrekken zij de belofte over het natuurlijke nageslacht van Abraham, waarin ook de landbelofte is vervat uit Ge-nesis 17.6-11 op de gemeente.
Inconsequent daarbij is dat men vindt dat de landbelofte, die toch onder dezelfde belofte valt, niet op hen van toe-passing is.
Dit verbond wat Abrahams lij-felijke bloedverwanten aan-gaat, kan uiteraard alleen betrekking hebben op de generatie uit Abraham voort-gekomen.
Door het toepassen van dit verbond met Abraham en zijn generatie, verlaat men het geestelijke verbond en gaat men over op een lichamelijk gebeuren, nl. op de kinderdoop alsof die in de plaats van de lichamelijke besnijdenis zou zijn gekomen.
Zij kùnnen zich dit verbond niet toe–eigenen. Ze zijn geen vleselijke kinderen van Abraham.
Het verbond, wat God met Abraham sloot uit Genesis 17.1-5 — zie eerste kolom — is voor de gemeente bestemd. Dit houdt in dat Abraham ook vader is van het geestelijke nageslacht uit de volken.
Echter alleen de wáre leden van de gemeente behoren tot de gééstelijke kinderen van Abraham.
De doop betreft alleen een geestelijk en geen natuurlijk gebeuren. Daarom kàn de kinderdoop niet de plaats van de besnijdenis innemen.
Op de Pinksterdag en ook daarna, werden reeds besnede-nen gedoopt, waaruit blijkt dat de doop een geheel andere betekenis heeft dan de besnijdenis. Had zij dezelfde betekenis gehad, dan was de doop voor hen overbodig geweest.

Wie de gemeente ziet als voort-zetting van Israël, en daarom de kinderdoop als een in de plaats van de besnijdenis gekomen ritueel beschouwt, ziet Israël als afgedaan.
Dan wordt — zoals Calvijn deed — de tekst uit Romeinen 11.25
Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
verdraaid en van 'totdat', 'opdat' gemaakt.
De gemeente is echter een náást Israël bestaande iden-titeit. Het verbond met Israël is niet het verbond met de gemeente, welk over gaat van vader op zoon. De besnijdenis is een licha-melijke ingreep als teken van het verbond van God met het volk van Israël, en geen teken dat het persoonlijk geloof — met uitzondering van Abraham — van de besnedene afbeeldt.
De doop echter is de afbeel-ding van een persoonlijk geloof in God, een afbeelding van sterven en opstanding met Christus, en volgt op het be-lijden dat door God een nieuw leven is ontvangen.
De tekst die de calvinist dient als bewijs dat de doop de besnijdenis vervangt, zegt het tegendeel. Deze tekst wijst nl. op de besnijdenis die Christus heeft ondergaan aan het kruis. Wij zijn met Hem gestorven en opgestaan. Dat is de betekenis van de doop. Daarom dient de doop uitsluitend aan hen die geloven worden bediend. Zij die het sterven en de op-standing van Jezus voor zich-zelf aannemen, mogen wor-den gedoopt.
Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dàt is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is be-snijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de let-ter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God, Rom. 2.28-29.
We zijn in Christus besneden. De besnijdenis heeft geen nut. Daarom heeft de doop aan kleine kinderen evenmin nut. Òf het kind is in Christus be-sneden en gelooft, waarvan deze later getuigenis aflegt en gedoopt wordt; òf het kind is onbesneden van hart, gelooft niet en kan ook niet gedoopt worden.
Daar we geen weet hebben van het geloof van een baby daar hij geen getuigenis kan af-leggen; evenmin onderwijs heeft ontvangen, is het onmo-gelijk deze te dopen. Dit druist geheel tegen Schrift in.
Gedoopt worden alleen zij die geloven in het werk van Hem voor hen.


































Wie volgen wij?
Volgers op social media; bij trends; bij sport; bij religies, ze zijn niet te tellen. Alle volgers zijn min of meer in hun schik bij het volgen van hun grootheid. Wie of wat zij volgen, zij mogen het niet in alles eens zijn, het enthousiasme in het volgen is er niet minder door.
Slaafs volgt men wat wordt geënthousiasmeerd. Waar het vandaan komt, of het correspondeert met 'wat juist is', blijkt van geen belang.

Zo ook de religieuze volgers
Het doen van ‘belijden van het geloof’, door vele jonge mensen in protestante kerken van meestal gereformeerde signatuur, is een jaarlijks voorkomend gebeu-ren, zonder enige bijbelse grond. De traditie wordt slaafs gevolgd.
Een critisch onderzoek naar het ontstaan van dit belijdenis doen, vindt niet plaats.

Zonder bijbelse grond
Het belijdenis doen is een gevolg en afsluiting van het gedoopt zijn als kind. Maar de Schrift spreekt over dopen na het hebben afgelegd
Mt 28.19: Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.
Mk 1616: Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.
Hnd 2.36-38: Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.
37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannenbroeders?
38 En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
Hnd 8.12: Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen.
Hnd 8.34-39 En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?
35 En Filippus deed zijn mond open en, uitgaande van dat Schriftwoord, verkondigde hij hem Jezus.
36 En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden?
37 En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.
38 En hij liet de wagen stilhouden, en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerheer, en hij doopte hem.
39 En toen zij uit het water opgekomen waren, nam de Geest van de Heere Filippus weg; en de kamerheer zag hem niet meer.
van belijden van het geloof.
De Antiocheense vroege kerk, heeft tot ca 200, Christus’ bevel gevolgd, zoals hierboven gemeld.
Altijd is de verstrooider, de diábolus; de dwarsligger; de uiteenwerper; de omkeerder geweest, die zowel in de chronologie van volken; in de religie; in de gedachten van mensen; verkeerde voorstellingen van zaken heeft teweeg gebracht.
Hij heeft de chronologie van de Schrift aangevallen door de Egyptische (Mane-tho1) ca 300BC), de Babylonische (Berosus2) ca 300BC) en de Griekse (Eratosthenes3), *ca 275BC - †ca 194BC) ‘geleerden’, door hun hoogmoed te gebruiken, zodat zij het bestaan van hun landen met eeuwen uitbreidden om andere landen de loef af te kunnen steken. De chronologie van hun landen t.o.v. die van andere landen, veroorzaken een grote chaos in tijden en culturen tot op heden en maakt de chronologie van de Schrift bespottelijk.
Het is dezelfde hoogmoed ‘het als God willen zijn’, die de mens van God deed afvallen, bij de duivelse verleiding in het paradijs.

In de religie
In de religie heeft hij hetzelfde gedaan door het dopen vóór het belijden te plaatsen. Door te stellen dat de kinderen in Christus geheiligd zijn,
1 Cor 7.14: Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig
kan de doop ook aan hen worden bediend. Zo draait hij de zaak om en laat het dopen voorafgaan aan het belijden, wat God in harten heeft gewerkt.

De kinderen zijn heilig.
‘Heilig zijn’ en ‘gedoopt worden’, zijn verschillende zaken. De betekenis van ‘heilig’, is ‘afgezonderd zijn’. Het kind is afgezonderd van de wereld, wanneer een van beide ouders het ware geloof belijdt en door hen onderwezen
Deu 6.4-6: Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is de Énige!
5 Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.
6 Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.
7 U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.
wordt in de aangehangen religie, naast de reguliere scholing. Het betreft dus een deel — een heel belangrijk deel — van de opvoeding. Dit onderwijs heeft niet noodzakelijk het geloof tot gevolg. Pas als tot volwassenheid is gekomen en de religie volkomen wordt begrepen, kan — wanneer geloof in het leven gekomen is — tot dopen worden overgegaan. Niet eerder!

De ongelovige is geheiligd
De ongelovige man of vrouw is heilig door de gelovige vrouw of man, blijkt uit de geciteerde tekst. Toch wordt bij de kinderdoop de geheiligde ongelovige man of vrouw van de gestelde vragen buitengesloten, die worden alleen aan de ‘gelovige’ gesteld. De ongelovige mag — hoewel hij geheiligd is — geen instemming betuigen met de vragen over de geestelijke opvoeding van zijn kind.
Wanneer wordt nu, vooral bij de rechterflank van de gereformeerde gezindte, hij of zij als ongelovige beschouwd? Dan als deze niet gedoopt werd, of wel gedoopt werd maar geen belijdenis deed. Dus wordt verondersteld dat alleen de ‘gelovige’ — hij/zij die belijdenis aflegde — de geestelijke opvoeding op zich kan nemen, en de ‘ongelovige’ daar niet toe instaat wordt geacht.
Echter als beiden partners en hun kind, geheiligd zijn, zoals 1Co 7.14 zegt, mag geen partner van opvoeding worden buitengesloten.
Dus zoals de kinderdoop, is het doen van belijdenis, ook hier weer een menselijke en onbijbelse instelling.

Wie en wat volgt de kerk?
De mens of de Schrift?


De Doop

Volgens het Calvinisme
dopen als kind
zonder onderwijs
zonder geloof
zonder belijdenis
Volgens de Schrift
als volwassene
na onderwijs
na geloof
na belijdenis
vindplaats
Mk 16.16; Hnd 8.12; 1 Petr 3.21*
Mt 28.19; Hnd 2.37-38; 8.12; 8.35
Mk 16.16; Hnd 8.12; 8.37a
Hnd 8.37b
© dcb
* Commentaar John Gill op 1 Petr 3.21




De bewering dat het Baptisme slechts vanaf de reformatie zijn ont-staansgrond kent is onjuist.
Ook de zgn. wederdopers waarna vaak wordt verwezen, zijn een voort-zetting van het oude Baptisme ten tijde van de apostelen.

Twee belangrijke geuigen

1. Spurgeon zegt in een verklaring:

‘During the public meeting of our London Baptist brethren at the Metropolitan tabernacle, Tuesday, april 2, 1861’: ‘We believe that the Baptists are the original Christians. We did not commence our existence at the Reformation, we were Reformers before Luther or Calvin were born; we never came from the Church of Rome, for we were never in it. We have an unbroken line up to the Apostles themselves! We have always existed from the very days of Christ, and our principles, sometimes veiled and forgotten like a river which may travel underground for a little season, have always had honest and holy adherents’.

2. Prof dr. Anne Ypma en Izaak Johannes Dermond

zeggen in hun ‘Geschiedenis van de Nederlandsche Hervormde Kerk’ deel 1, 1819, pg 146:
‘...de doopsgezinden, die in vroegere tijden, Wederdopers, en in latere tijden Mennononieten genoemd werden, waren oorspronkelijk Waldenzen, die in de geschiedenis der kerk, sedert lang altijd zulk eene welverdiende hulde hebben ontvangen. Derhalve mogen de doopsgezinden beschouwd worden als van ouds her de éénige godsdienstgemeenschap, die bestaan heeft van de tijden der Apostelen af, als eene christelijke maatschappij, welke de evangelische gods-dienstleer rein bewaard heeft, door alle eeuwen heen. De nooit mis-vormde innerlijke en uiterlijke gesteldheid van de gemeenschap der doopsgezinden strekt dan ten bewijze van die, door de Roomsche kerk betwiste waarheid, dat de hervorming van den godsdienst, zoo als die, in de zestiende eeuw, is tot stand gekomen, noodig, allernoodigst was, en ter wederlegging tevens van der Roomsch-katholieken dwaalbegrip, dat hunne kerkgemeenschap de oudste is’.













*) Dus als een belofte speciaal aan familie X wordt gegeven, zou familie Y vinden dat deze ook voor haar
bestemd is?
Zo geldt de belofte voor het lijfelijk nageslacht van Abraham, evenmin voor de gemeenten uit de heidenen.

1) Manetho, ‘Ægyptiaca’, Fragmenten.
Josephus Flavius, (Jeruzalem 37AC—Rome ca 100), ‘Tegen Apion’, Boek I,1; Boek II,14-16.  (Apion 20BC—45AC)
Sextus Julius Africanus (160AC—240AC), Zijn geschriften zijn na Eusebius verloren gegaan. Eusebius heeft over Manetho daaruit geput.
Eusebius van Cæsarea (263AC—339AC), ‘Chronicle’ (Egyptian Chronicle, 44-57)
Emanuël Velikovsky, (Vitebsk, 10 juni 1895—Princeton, 17 november 1979), ‘De Zeevolken’, blz 248 e.v.
Emanuël Velikovsky, ‘Eeuwen in Chaos’ blz 29 e.v.
Emanuël Velikovsky, ‘Ramses II en zijn tijd’ blz 8; 239.
Robert de Telder, ‘Israël en Egypte; de Bijbel versus de Egyptologie en Assyriologie’, blz 23-24 e.v.
2) Emanuël Velikovsky, ‘De Zeevolken’, blz 252.
3) Emanuël Velikovsky, ‘De Zeevolken’, blz 252.


















free directory